Archeologie.... waarom?

Een van de meest gehoorde vragen in de praktijk is "Waarom houden jullie eigenlijk rekening met archeologische resten?". Vaak wordt archeologisch onderzoek gezien als duur en tijdrovend. Wie zich deze vraag stelt, realiseert zich waarschijnlijk niet dat het archeologisch bodemarchief voor grote delen van het verleden de enige informatiebron is. Bovendien geven de archeologische resten, in tegenstelling tot de meeste papierenarchieven, ons een beeld van de gewone man en vrouw. Daarnaast bestaat er bij de meeste papierenarchieven vaak nog een kopie, terwijl in de archeologie geldt dat ieder archief uniek is. Het mag dus duidelijk zijn dat het belangrijk is voorzichtig om te gaan met archeologie. Tegenwoordig is archeologie een integraal onderdeel van het proces van de ruimtelijke ordening. Daardoor raken steeds meer mensen er vertrouwd mee. Dit is niet altijd het geval geweest.

1vv-graven_bij_domburg.jpg - SCEZ OAS

Ontdekking van een Nehalenniatempel in Domburg, Nederland (1647). Tekening van A.C. Bonn uit 1805 naar een schets van Hendrik van Schuylenburgh uit 1647 (bron ZA/KZGW ZL 111- 0137).

Eerste keer archeologie

De eerste interesse voor archeologie in Nederland dateert al uit de zestiende eeuw. Op dat moment schrijft Johan Pricardt zijn “korte beschrijvinge van eenige vergetene en verborgen antiquiteten”. Het eerste onderzoek waarvan we in Zeeland iets weten is afkomstig van een zeventiende-eeuwse afbeelding. Hierop zijn mensen te zien die in de buurt van Domburg bezig zijn met het bergen van toevallig bloot gekomen vondsten. Deze resten behoorden tot een Nehalennia-heiligdom. Tot dan toe had archeologisch onderzoek nog weinig te maken met de praktijk van tegenwoordig. Het was meer het bergen van vondsten en redden wat er te redden valt.

 

sfg-1280px-hunebedbouwers-annales_drenthia_picardt_1660.jpg - SCEZ OAS

Afbeelding uit "korte beschrijvinge van eenige vergetene en verborgen antiquiteten"

Reuvens en de Stuers

Met het aanstellen van C.J.C. Reuvens als eerste professor in de archeologie in 1818 veranderde er eigenlijk nog niet zoveel. Natuurlijk werden meer wetenschappelijke opgravingen uitgevoerd, maar de omgang met het cultureel erfgoed kon ook toen nog niet rekenen op de credits die het eigenlijk verdiende.

Een belangrijk moment in de omgang met ons erfgoed vindt plaats in 1873. Dan schrijft Victor de Stuers zijn boek 'Holland op z’n smalst’. In dit boek is een brief aan de kamer opgenomen over de omgang met cultureel erfgoed. Hij zegt daar in dat het kabinet zich eigenlijk alleen druk maakt om de financieën. Opgegraven oudheden worden volgens hem door de meeste parlementsleden gezien als een hoop oude stenen voor gapende toeristen. De moeite van De Stuers was niet voor niets en leidde er in 1875 toe dat de afdeling Kunsten en Wetenschappen werd opgericht. Deze stond onder leiding van De Stuers.

In 1903 werd een rijkscommissie ingesteld om een inventaris en beschrijving te maken van de monumenten in Nederland. In 1918 werd deze commissie het Rijksbureau voor de Monumentenzorg.

jfe-reuvens_bijgesneden.jpg - SCEZ OAS

C.J.C. Reuvens, de eerste professor archeologie in Nederland

 

 

Tijd voor verandering

De echte omslag komt in 1940 met het aannemen van het Besluit op de wederopbouw. Daarmee is de omgang met monumenten voor de eerste keer wettelijk vastgelegd. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zorgt ervoor dat er praktisch niet veel van de Wet terrechtkomt. Na afloop van de oorlog wordt het Besluit uit 1940 aangescherpt met het Besluit op de Wederopbouw 1945. Het groter wordend bewustzijn leidde in 1946 tot de afsplitsing van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) uit de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Verder werd in 1950 de tijdelijke Monumentenwet aangenomen gevolgd door de Monumentenwet in 1961. Doordat enkele bepalingen verouderen en doordat de Rijksoverheid de verantwoordelijkheid voor archeologie ook bij de lagere overheden (Provincie/gemeenten) wil neerleggen wordt in 1988 de Monumentenwet 1988 aangenomen.

 

 

 

Verdrag van Malta

Met het ondertekenen van het Verdrag van Malta in 1992, het aannemen van de Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ), de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2006, en het Besluit op de archeologische monumentenzorg (Bamz) in 2007 is het archeologisch bewustworden nog verder gestegen. Bovendien is de (archeologische) monumentenzorg hiermee een integraal onderdeel van het proces van de ruimtelijke ordening geworden. Deze ruimtelijke ordening; wat gebeurt waar en wat mag waar, is alleen een verantwoordelijkheid van de gemeenten. Hiermee is de gedachte uit de monumentenwet 1988, leg de verantwoordelijkheid ook bij de lagere overheden, geslaagd.

lcu-de_stuers_bijgesneden.jpg - SCEZ OAS

Victor de Stuers, voorvechter van het cultureel erfgoed

 

 

Gemeentelijk beleid

Deze verantwoordelijkheid maakte het voor gemeenten noodzakelijk om eigen afwegingen te kunnen maken op het gebied van archeologie. Daardoor ontstond de noodzakelijk om een eigen archeologiebeleid te ontwikkelen. De OAS-gemeenten kozen er al in 2009 voor om samen te werken en tot een vergelijkbaar archeologiebeleid te komen. In 2011 werd het archeologiebeleid vastgesteld. De maatregelenkaarten uit het archeologiebeleid zijn digitaal raadpleegbaar in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van Zeeland (CHS). Deze is te bereiken via deze link. U dient hier achtereenvolgens de kaartlagen Archeologie-Beleidskaarten-Overig Zeeland aan.

 

 

Bestemmingsplan

Om hun verantwoordelijkheid op het gebied van archeologie goed uit te kunnen voeren hebben alle gemeenten archeologie opgenomen in hun bestemmingsplannen. Deze bestemmingsplannen worden gebruikt als toetsingskader in het proces van de ruimtelijke ordening. Alle bestemmingsplannen zijn terug te vinden op ruimtelijkeplannen.nl